Frankische Rijk

In de derde eeuw vestigden de Franken, een van oorsprong Germaanse stam, zich in het gebied ten zuiden van de Rijn. De grote expansie kwam pas tijdens de regeerperiode van de Merovingische koning Clovis. Hij verenigde de Frankische stammen en heerste over het grootste deel van het gebied dat de Romeinen Gallië noemden. Na zijn dood erfden zijn vier zonen ieder een deel van het Frankische Rijk, dat daardoor in vier delen uiteen viel: Neustrië (huidig Noord-West Frankrijk), Austrasië (huidig België, Zuid- en Oost-Nederland en Midden Duitsland), Bourgondië en Aquitanië. Sommige Merovingische vorsten slaagden erin om het gezag uit te oefenen over het gehele Frankische Rijk en het uit te breiden. Zo werd onder Dagobert (603-639) het Frankische Rijk uitgebreid richting de Bohemen, Thüringen en het gebied der Friezen. Vanaf het einde van de zevende eeuw namen de hofmeiers uit een adellijke familie uit Austrasië het bestuur van het Frankische Rijk geleidelijk aan over. In 751 werd de laatste Merovingische koning afgezet en kreeg Pepijn III de kroon van het Frankische Rijk. Hij werd de eerste Karolingische vorst. Onder zijn zoon Karel de Grote kwam het Frankische Rijk tot grote bloei. Het Frankische Rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit van Noord- Duitsland tot de Pyreneeën en midden-Italië en van West-Frankrijk (uitgezonderd Bretagne) tot het huidige Karinthië in Oostenrijk. Na de dood van zijn zoon Lodewijk de Vrome, werd in 843 bij het Verdrag van Verdun het Frankische Rijk verdeeld over zijn drie nog in leven zijnde zonen. Door verdere erfdeling raakte het Frankische Rijk versnipperd en viel het uiteindelijk uiteen in verschillende koninkrijken.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Met welke Romeinse heerser had Cleopatra een relatie?


JUIST!NIET JUIST!

Caesar

massapsychologie

De tak van wetenschap die zich richt op de gedragingen van groepen van mensen. De veronderstelling is dat onder bepaalde omstandigheden de persoonlijkheid van individuele mensen in een groep plaats maakt voor een collectieve persoonlijkheid, een 'collectieve ziel', die een eigen dynamiek ontwikkelt en de leden van de groep handelingen laat verrichten die volstrekt niet stroken met hun persoonlijke karakter of moreel besef.