HLA-systeem

Het HLA-systeem is een ingewikkeld soort bloedgroepensysteem, waarvan de componenten aanvankelijk op de witte bloedcellen werden gesitueerd, maar later op de membranen van vrijwel alle cellen werden gevonden. De complexiteit ervan wordt duidelijk in vergelijking met het bekende AB0-systeem dat op rode bloedcellen zit. Dit laatste leidt uiteindelijk tot vier bloedgroepen (A, B, 0, AB), terwijl het HLA-systeem tot meer dan 1 miljoen verschillende combinaties leidt. Een ander verschil met het AB0-systeem is dat antistoffen tegen HLA-antigenen niet van nature in het bloed aanwezig zijn. We maken pas antistoffen tegen HLA-componenten van lichaamsvreemde cellen als we daarmee in aanraking komen via zwangerschap (het kind erft HLA-antigenen van de vader, die voor de moeder vreemd zijn), bloedtransfusie of transplantatie. De genetische informatie voor de HLA-antigenen is vastgelegd in een aantal genen op chromosoom 6, het Major Histocompatibility Complex (MHC) dat uit minstens twintig genen bestaat, elk met wel honderd allelen, waardoor het MHC een soort biochemische vingerafdruk vormt van elke mens. De HLA-typering (= weefseltypering) speelt een belangrijke rol bij transplantaties. Hoe meer de weefseltypen van donor en ontvanger overeenkomen, hoe kleiner de kans op afstoting van een getransplanteerd orgaan.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Welke klier in het menselijk lichaam maakt insuline aan?


JUIST!NIET JUIST!

alvleesklier

Levenswetenschappen > biologie (o.a anatomie en fysiologie) en scheikunde

adaptatie

Adaptatie is de wijze waarop een levend organisme zich aanpast aan een wijziging van zijn leefomstandigheden. Dat kan gaan om een tijdelijke verandering bij een kortdurende wijziging, zoals vogels die bij felle kou hun verenpak opzetten. De leefomgeving kan ook blijvend veranderen, waardoor sommige organismen bepaalde blijvende eigenschappen ontwikkelen. Deze veranderingen worden erfelijk vastgelegd en aan het nageslacht doorgeven. Zo merkte Darwin op dat de door hem bestudeerde vinken verschillende snavels ontwikkelden al naargelang de omgeving waarin zij leefden.