bloeddruk

De bloeddruk is de druk die wordt uitgeoefend op de wand van een bloedvat, in het bijzonder van de slagaders. Deze druk is afhankelijk van het slagvolume van het hart, de elasticiteit van de vaatwand, het totale bloedvolume en de weerstand in de buitenste bloedsomloop. Men onderscheidt een onderdruk (diastolische bloeddruk), die wordt gemeten op het moment dat het hart zich samentrekt (het moment van de hartslag), en een bovendruk (systolische bloeddruk), die aangeeft hoe groot de druk is die het bloed in de slagaderen uitoefent tussen twee hartslagen in. De bloeddruk wordt gewoonlijk gemeten door een opblaasbare band om de bovenarm op te pompen en met een stethoscoop boven de slagader in de elleboogplooi naar de vaattonen te luisteren die hoorbaar worden als men de band langzaam laat leeglopen. Men spreekt van hypertensie (hoge bloeddruk) als de onder- en/of bovendruk bij herhaling over een langere periode hoger is dan normaal.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Welke klier in het menselijk lichaam maakt insuline aan?


JUIST!NIET JUIST!

alvleesklier

Levenswetenschappen > biologie (o.a anatomie en fysiologie) en scheikunde

adaptatie

Adaptatie is de wijze waarop een levend organisme zich aanpast aan een wijziging van zijn leefomstandigheden. Dat kan gaan om een tijdelijke verandering bij een kortdurende wijziging, zoals vogels die bij felle kou hun verenpak opzetten. De leefomgeving kan ook blijvend veranderen, waardoor sommige organismen bepaalde blijvende eigenschappen ontwikkelen. Deze veranderingen worden erfelijk vastgelegd en aan het nageslacht doorgeven. Zo merkte Darwin op dat de door hem bestudeerde vinken verschillende snavels ontwikkelden al naargelang de omgeving waarin zij leefden.