Meidagen 1940

De dagen van de Duitse inval in Nederland, op 10 mei 1940, tot de afkondiging van de capitulatie, op 14 mei. Sterke tegenstand werd door het Nederlands leger (en de kleine Nederlandse luchtmacht) geboden op en rond de Grebbeberg, in Rotterdam, voor Den Haag en aan de Friese kant van de Afsluitdijk. Alleen op die laatste plaats konden de Duitsers, dankzij het sterke en goed bewapende fort, teruggeslagen worden, met grote verliezen. Verrast door de Nederlandse tegenstand besloten de Duitsers Rotterdam te bombarderen met brandbommen en dreigden vervolgens ook andere steden hetzelfde lot te laten ondergaan. De opperbevelhebber van het Nederlandse leger, Generaal Winkelman, besloot daarop te capituleren. De volgende dag, 15 mei, werd de capitulatie in Rijsoord, bij het platgebombardeerde Rotterdam, getekend. Alleen de provincie Zeeland werd nog van de overgave uitgesloten, deels om het uitwijken naar Engeland mogelijk te blijven maken, maar ook omdat de hoop gevestigd was op enkele Franse regimenten die de provincie op 10 mei te hulp schoten. Zo werd dan nog een paar dagen dapper doorgevochten. Door hevig Duits artillerievuur vanaf Walcheren en verwoestende bombardementen door de Luftwaffe op Middelburg moest ook daar op 19 mei gecapituleerd worden.
Koningin Wilhelmina was al op 13 Mei, tegen haar zin, naar Londen uitgeweken, gevolgd door prinses Juliana, prins Bernhard en het kabinet. De regering had het gezag over het land aan generaal Winkelman opgedragen.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie plunderden in de 9e eeuw na Christus de Nederlandse stad Dorestad?


JUIST!NIET JUIST!

Vikingen

vervreemding

Gevoel dat men met de samenleving en haar cultuur niets meer te maken heeft, dat men machteloos staat en ook geen invloed meer heeft op de eigen toekomst. Komt het meest voor in tijden van snelle sociale verandering, zoals na oorlogen, bij snelle secularisatie of grote migratiestromen.

De 10 meest gezochte woorden en begrippen van de afgelopen week

  1. oxidatie
  2. mektab
  3. agnosticisme
  4. ouderdomsbepaling
  5. bestuursorgaan
  6. conformisme
  7. DNA
  8. ontologie
  9. mercantilisme
  10. intelligentie