rede
Het geestelijke vermogen van de mens, dat zich niet alleen richt op oorzakelijke, discursieve kennis, maar op de diepere samenhang van de dingen en de gebeurtenissen. De rede is van hoger orde dan het verstand. Vooral Kant heeft een scherpe omschrijving gegeven van de rede (Vernunft) en de activiteiten ervan. De rede richt zich niet direct op de objecten uit de zintuiglijke wereld maar op het verstand (het denken) om er systematiek en eenheid in aan te brengen. Ze schept geheel zelfstandig begrippen en ideeën. Ze is het vermogen om volgens principes te oordelen (theoretische rede) en te handelen (praktische rede). De drie vragen waardoor de rede zich laat inspireren zijn: 1. Wat kan ik weten? 2. Wat moet ik doen? 3. Wat mag ik hopen? Het Kantiaanse onderscheid tussen verstand en rede heeft sterk doorgewerkt in de Duitse filosofie van de negentiende eeuw.
Wie was de eerste Nederlandse vrouw die arts werd en aan de universiteit promoveerde?
egocentrisme en egoïsme
Twee persoonlijkheidseigenschappen die door anderen als onplezierig en onaangenaam worden ervaren.
Bij egocentrisme is het alsof de persoon zich niet wil en kan verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belangstellingen van de ander. Alles wat gebeurt wordt uitsluitend gezien vanuit het ik, waarbij de eigen belangstellingen en belangen de waarneming beheersen en de communicatie met anderen eenzijdig kleuren.
Bij egoïsme wil de persoon zichzelf telkens bevoordelen, ook als dat ten koste van anderen gaat. De egoïst denkt zo min mogelijk aan de belangen en behoeften van anderen, ook als hij of zij dat wel kan. De egoïst haalt naar zich toe en geeft niet om of aan de ander.
Egocentrisme is een eigenschap van het waarnemen en denken, egoïsme van het handelen.
