John Stuart Mill
(1806-1873) Engelse filosoof en econoom. Naast Auguste Comte de belangrijkste denker van het positivisme. Omdat de ervaring de enige bron van kennis is, is de psychologie de grondslag van de filosofie: zij onderzoekt de bewustzijnsinhouden en levert daarmee de bouwstenen van de kennis. Kennis komt alleen door ordening tot stand en voor deze ordening zorgt de methode van de inductie. Inductie is de enig toegestane wetenschappelijke methode en de enige leverancier van wetmatigheden en zekere kennis. Zelfs de zo zuivere wetenschappen als wiskunde en de logica zijn door middel van inductie tot stand gekomen.
Op ethisch gebied is Mill een aanhanger van het utilitarisme. Hij schreef een invloedrijk boek over staatsinrichting (On Liberty) waarin hij aangaf op welke manier een maximale individuele vrijheid van het individu binnen de staat kan worden gegarandeerd. Ook schreef hij - opmerkelijk voor een filosoof in die tijd - een bevlogen verhandeling over de rechten van de vrouw in de moderne maatschappij (The Subjection of Women).
Wie was de eerste Nederlandse vrouw die arts werd en aan de universiteit promoveerde?
egocentrisme en egoïsme
Twee persoonlijkheidseigenschappen die door anderen als onplezierig en onaangenaam worden ervaren.
Bij egocentrisme is het alsof de persoon zich niet wil en kan verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belangstellingen van de ander. Alles wat gebeurt wordt uitsluitend gezien vanuit het ik, waarbij de eigen belangstellingen en belangen de waarneming beheersen en de communicatie met anderen eenzijdig kleuren.
Bij egoïsme wil de persoon zichzelf telkens bevoordelen, ook als dat ten koste van anderen gaat. De egoïst denkt zo min mogelijk aan de belangen en behoeften van anderen, ook als hij of zij dat wel kan. De egoïst haalt naar zich toe en geeft niet om of aan de ander.
Egocentrisme is een eigenschap van het waarnemen en denken, egoïsme van het handelen.
