ijstijd
De grote ijstijd (eigenlijk: het grote glaciaal, 600.000 - 10.000 v.Chr.), bestond uit vier kleinere glacialen: De cromer-ijstijd, de elster-ijstijd, het saalien en het weichselien. In de glacialen was het kouder dan tegenwoordig, en grote delen van de continenten waren bedekt met landijs. Deze glacialen werden afgewisseld met interglacialen: warmere perioden tussen twee ijstijden.
Zie ook ijstijden in het hoofdstuk De aarde, het klimaat en het weer.
Welke klier in het menselijk lichaam maakt insuline aan?
adaptatie
Adaptatie is de wijze waarop een levend organisme zich aanpast aan een wijziging van zijn leefomstandigheden. Dat kan gaan om een tijdelijke verandering bij een kortdurende wijziging, zoals vogels die bij felle kou hun verenpak opzetten. De leefomgeving kan ook blijvend veranderen, waardoor sommige organismen bepaalde blijvende eigenschappen ontwikkelen. Deze veranderingen worden erfelijk vastgelegd en aan het nageslacht doorgeven. Zo merkte Darwin op dat de door hem bestudeerde vinken verschillende snavels ontwikkelden al naargelang de omgeving waarin zij leefden.
