Kloosterorde

In groepsverband in kloosters levende mannen (kloosterbroeders) of vrouwen (kloosterzusters). Op basis van hun religieuze overtuiging trekken zij zich terug uit het gewone dagelijkse bestaan. Alle wereldgodsdiensten kennen een vorm van kloosterleven. Er zijn veel Roomskatholieke kloosterorden, zoals Augustijnen, Benedictijnen, Dominicanen, Franciscanen, Jezuïeten, Kapucijnen, Clarissen, Karmelietessen en Ursulinen. Zij proberen binnen de kloostergemeenschap te leven volgens de leer van Jezus Christus. Een streng geregelementeerd schema van gezamelijke gebedsdiensten vormt de basis voor het gemeenschapsleven.
Kloosterlingen beloven dat zij zullen leven in gehoorzaamheid, vrijwillige armoede en seksuele onthouding. De eerste westerse kloosters ontstonden in de vierde eeuw, pas in de zesde eeuw werden ze onderworpen aan officiële regels. Al bleven er verschillen in de strengheid van het kloosterleven tussen de diverse ordes. Kloosterlingen kunnen ondanks hun teruggetrokken leven op allerlei terrein werkzaam zijn. Bijvoorbeeld binnen de kloostermuren op bij het klooster horende akkers en wijngaarden, of daarbuiten als ziekenverzorgers of in het onderwijs.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Welke componist schreef het muziekstuk Le Carnaval des Animaux?


JUIST!NIET JUIST!

Camille Saint-Saëns

retoriek

Oorspronkelijk bij de oude Grieken de leer der welsprekendheid. De tegenwoordige betekenis is minder gunstig: bombastisch en gezwollen taalgebruik. Een retorische vraag is een schijnvraag, omdat de vragensteller niet werkelijk een antwoord verwacht (bijvoorbeeld: 'wou je soms zeggen dat het allemaal wel meevalt?').