Mien Ruys

(1904 – 1999) Studeerde in 1930 in Berlijn aan de eerste hogeschool voor tuinarchitectuur in Europa en volgde daarna colleges aan de afdeling bouwkunde van de TU in Delft, vanwege het verband tussen stedenbouw, architectuur en tuin- en landschapsarchitectuur.
Leidde de afdeling Tuinarchitectuur van de kwekerij van haar vader in Dedemsvaart en verhuisde in 1937 naar Amsterdam waar ze in contact kwam met en lid werd van de groep architecten van het Nieuwe Bouwen. Werkte veel samen met o.a. Gerrit Rietveld, Aldo van Eyck, Hein Salomonson, Mart Stam, Jan Piet Kloos en Ben Merkelbach.
Ze maakte ontwerpen voor particuliere tuinen, maar kreeg ook opdrachten in de sociale woningbouw, zoals in de naoorlogse Amsterdamse stadsuitbreidingen.
De basis van ieder ontwerp was de vorm, die eenvoudig, helder en functioneel moest zijn. Het ervaren van bloeiende beplantingen, ‘vormgegeven natuur’, die veranderde met de seizoenen vond ze een belangrijke functie van de tuin.
Haar tuinen zijn sinds 1976 ondergebracht in de Stichting Tuinen Mien Ruys in Dedemsvaart, gedeeltelijk een Rijksmonument.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Geen slapende ... wakker maken. Welk dier moet je niet wakker maken?


JUIST!NIET JUIST!

hond

brandstofcel

Apparaat dat uit brandstof (bijvoorbeeld waterstof) rechtstreeks elektriciteit produceert. Dit proces is te beschouwen als het omgekeerde van elektrolyse, waarbij water wordt ontleed in waterstof en zuurstof. De geproduceerde elektriciteit kan dan bijvoorbeeld worden gebruikt om een elektrische auto aan te drijven. Het grote voordeel van een brandstofcel is dat het rendement ervan (40-60%) aanzienlijk hoger ligt dan dat van de traditionele verbrandingsmotor, die een rendement van maximaal 25% (benzinemotor) tot 30% (dieselmotor) haalt. Een brandstofcel vraagt wel katalysatoren, bijvoorbeeld platina, waardoor ontwikkeling en grootschalige inzet vooralsnog moeizaam verlopen.