schaal van Richter

De schaal van Richter wordt gebruikt om de sterkte van een aardbeving aan te geven. Dit wordt gemeten met een seismograaf en wordt aangegeven als Magnitude. De schaal van Richter is logaritmisch, d.w.z. dat een factor 10 in uitslag op het seismogram, 1 magnitude verschil vertegenwoordigt. Bijvoorbeeld een beving met een magnitude 6 geeft een 1000 keer grotere uitslag dan een van magnitude 3. De schaal is zowel naar beneden als naar boven onbegrensd . De sterkste meting ooit gemeten had een magnitude van 9.5 en vond plaats voor de kust van Chili in 1960. De energie die vrijkomt bij een beving neemt per magnitude nog eens toe met een factor van ca.30, zoals experimenteel is vastgesteld. Bij een beving van magnitude 6 komt dus 30x30 meer energie vrij dan bij een beving met magnitude 4. Naast de schaal van Richter wordt ook de intensiteitenschaal van Mercalli gebruikt, die een maatstaf is voor de schade die een aardbeving aanricht. Deze schaal loopt van I t/m XII, van nauwelijks voelbaar tot algemeen verwoestend . In het epicentrum van de beving is de schade meestal het grootst, maar ook sterk afhankelijk van de diepte van de beving (het hypocentrum), de bouwwijze en het soort ondergrond. Hoe verder verwijderd van het epicentrum des te geringe wordt deze intensiteit waargenomen

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie schreef de toneelstukken 'Oom Vanja' en 'Drie zusters'?


JUIST!NIET JUIST!

Anton Tsjechov

sociale zekerheid

Stelsel dat vooral na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd en dat als hoeksteen van de verzorgingsstaat wordt beschouwd. De sociale zekerheid wordt wel in vier onderdelen verdeeld: sociale verzekeringen, sociale voorzieningen, de vergelijkbare regelingen voor ambtenaren en pensioenregelingen. Sociale‑zekerheidsuitgaven vormen een zo groot bestanddeel van de publieke uitgaven dat ze een belangrijke rol spelen bij de vaststelling van de rijksbegroting.