platentektoniek

Platentektoniek is de naam van het geologische verschijnsel waarbij delen van de aardkorst ten opzichte van elkaar verschuiven. De aardkorst is opgebouwd uit een aantal platen of schollen, waarvan de continenten deel uitmaken. Deze platen bewegen horizontaal over het aardoppervlak en veroorzaken door hun beweging aardbevingen, vulkanisme, gebergtevorming en andere geologische processen. De platen 'groeien' op bergruggen in de oceaan aan en zetten zich in beweging. Dit wordt seafloor spreading genoemd en komt bijvoorbeeld voor bij de Mid Atlantische Rug, in het centrale deel van de Atlantische oceaan. Het gevolg is dat elders de platen met elkaar in botsing komen. Als een botsing plaatsvindt tussen een oceanische plaat en een continentale plaat duikt de oceanische plaat onder de continentale omdat deze uit lichter materiaal bestaat. Dit doet zich bijvoorbeeld voor aan de randen van de Grote Oceaan. Waar de beweging van de platen enigszins neerwaarts is, wordt een stuk aardkorst meegetrokken en ontstaat een diepzeetrog. Bij een botsing van twee continentale platen vindt plooiing plaats en opheffing. Dit is te zien bij de Alpen en de Himalaya. De botsende platen kunnen ook langs elkaar heen schuiven en een groot langwerpig breukgebied vormen, zoals bij de San Andreas-breuk in Californië. Dergelijke bewegingen kunnen de aanleiding zijn van een aardbeving . Het begin van de theorieën over de platentektoniek is te danken aan de Duitse meteoroloog Alfred Wegener (1880-1930). Deze Duitse meteoroloog en geofysicus deed veel onderzoek op Groenland en kwam tijdens een van zijn expedities op het idee van de verschuiving van continenten toen hij ijsschotsen zag bewegen en breken.
Zie ook Alfred Wegener en convectiestromen.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Hoe heette de groep van schilders en architecten met o.a. Mondriaan, Van Doesburg en Rietveld?


JUIST!NIET JUIST!

De Stijl

intelligentie

De mate waarin de totale ervaringswereld verstandelijk wordt verwerkt. De mate waarin men zich los kan maken van feitelijke en concrete verschillen tussen objecten, situaties en gebeurtenissen en op abstract niveau de dieperliggend overeenkomsten kan zien. Ook het gemak waarmee iemand nieuwe leerstof kan doorzien, zich eigen maken en zelfstandig kan toepassen.