naamval

Het systeem van verschillende woordvormen voor de zinsdelen onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp en de bezitsvorm. In Europese talen worden gewoonlijk vier naamvallen onderscheiden. Van één tot vier zijn dat: nominatief (onderwerpsvorm), genitief (bezitsvorm), datief (meewerkend-voorwerpsvorm) en accusatief (lijdend-voorwerpsvorm).
Voorzetselvoorwerpen kunnen verschillende naamvallen hebben, afhankelijk van het voorzetsel. In het Nederlands is de naamval alleen nog zichtbaar in de voornaamwoorden (nominatief: ik, jij, hij; genitief: mijn, jouw, zijn; datief en accusatief: mij, jou, hem enzovoort), en in een aantal ouderwetse uitdrukkingen: 'te allen tijde', 'in groten getale', 'in dier voege'. In de schrijftaal bestaat ook nog het onderscheid hun/hen, met 'hen' als lijdend voorwerp en volgend op een voorzetsel (bijvoorbeeld 'aan hen', 'over hen'), en 'hun' als meewerkend voorwerp ('Jan gaf hun rozen').

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Welke filosofische stroming is met name door Jean-Paul Sartre vormgegeven?


JUIST!NIET JUIST!

existentialisme

gelijkenissen

Verhalen, doorgaans aan het gewone leven ontleend, aan de hand waarvan in de bijbel een godsdienstige waarheid wordt uitgebeeld en uitgelegd. Een bekende gelijkenis uit het Oude Testament is die van het lam van de arme man (2 Samuël 12). Bekende gelijkenissen van Jezus zijn: de verloren zoon (Lucas 15), de arbeiders in de wijngaard (Mattheüs 20) en de barmhartige Samaritaan (Lucas 10).