waterstof

Het lichtste chemische element, met als symbool H (hydrogenium in het Latijn). Het waterstofatoom bezit een enkel proton als kern met daaromheen een elektron. In de sterren en de interstellaire ruimte is waterstof het meest voorkomende atoom. Op aarde komt het - behalve in het laboratorium - slechts als tweeatomig molecuul (H2) voor, of gebonden aan andere elementen. Waterstof wordt veel als brandstof gebruikt en vormt daarbij met zuurstof (O2) water (H2O). Behalve bij zeer lage temperatuur is waterstof een gas, dat vroeger voor het vullen van ballonnen en Zeppelins werd gebruikt. Wegens de grote brandbaarheid gebruikt men tegenwoordig liever het zwaardere en duurdere, maar onbrandbare helium. Als energiedrager heeft waterstof waarschijnlijk een grote toekomst. Het kan uit water worden gemaakt via elektrolyse, waarbij de benodigde energie wordt geleverd in de vorm van elektriciteit. Vervolgens kan het gas worden verbrand (net als aardgas) maar het kan ook met behulp van brandstofcellen rechtsreeks elektriciteit leveren, bijvoorbeeld om een elektromotor aan te drijven. Een groot nadeel is vooralsnog dat waterstof niet gemakkelijk is in te zetten voor mobiele toepassingen als vervanger van benzine: om een voldoend grote afstand te kunnen rijden moeten hogedruktanks of andere zware c.q. volumineuze opslagsystemen worden meegenomen.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Welke klier in het menselijk lichaam maakt insuline aan?


JUIST!NIET JUIST!

alvleesklier

Levenswetenschappen > biologie (o.a anatomie en fysiologie) en scheikunde

adaptatie

Adaptatie is de wijze waarop een levend organisme zich aanpast aan een wijziging van zijn leefomstandigheden. Dat kan gaan om een tijdelijke verandering bij een kortdurende wijziging, zoals vogels die bij felle kou hun verenpak opzetten. De leefomgeving kan ook blijvend veranderen, waardoor sommige organismen bepaalde blijvende eigenschappen ontwikkelen. Deze veranderingen worden erfelijk vastgelegd en aan het nageslacht doorgeven. Zo merkte Darwin op dat de door hem bestudeerde vinken verschillende snavels ontwikkelden al naargelang de omgeving waarin zij leefden.