fase

1. In de natuurkunde en de scheikunde: elk van de verschijningsvormen waarin een macroscopische stof kan voorkomen: gas, vloeistof en vaste stof. Wanneer de temperatuur en/of de druk verandert, kan de materie een overgang van de ene naar de andere fase ondergaan (zie ook kookpunt en smeltpunt). Vele stoffen hebben meer dan één onderscheidbare vaste fase. De tinpest, die tinnen voorwerpen uiteen doet vallen, berust op de overgang van 'wit' tin naar 'grijs' tin.
2. Bij periodieke verschijnselen, zoals in de optica, een relatieve maat die bepaald wordt door het tijdstip waarop een golf zich bevindt, ten opzichte van het moment waarop de golf de evenwichtsstand passeert.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie schreef de opera Le nozze di Figaro?


JUIST!NIET JUIST!

Mozart

etnocentrisme

Denk‑ en gedragswijze, gekenmerkt door onmacht of onwil zich te verplaatsen in de normen, waarden, motieven, belangen, opvattingen, gewoonten enzovoort van mensen behorend tot een andere dan de eigen samenleving.
Zie ook
autoritaire persoonlijkheid.