droogmakerijen

Droogleggingen. Na eeuwen van kleinschalige drooglegging van ondiepe plassen en meertjes door er dijkjes omheen te leggen werd in 1607 door Amsterdamse kooplieden besloten het grote meer De Beemster, ten Noorden van Amsterdam, tot een polder te maken. Een ringvaart en ringdijk werden aangelegd en 43 windmolens gebouwd die het water uit het meer naar de omringende vaart moesten oppompen.
In 1612 was het land zo droog geworden dat arbeiders er een geometrisch patroon van sloten in konden graven die voor een blijvende goede afwatering van regen- en grondwater dienden. Wegen werden aangelegd en boerderijen gebouwd. Een technisch en economisch goed doordacht plan van een tot dan ongekend grote omvang was in een paar jaar tijd gerealiseerd. Het unieke karakter van dit pionierswerk is beloond met plaatsing op de Werelderfgoedlijst van de Unesco.
Latere grote polders, zoals ook van de grote en gevaarlijke Haarlemmermeer, zijn volgens dezelfde principes, maar niet met windmolens maar met stoommachines, drooggelegd.
Zie ook
Leeghwater en Beemster in het hoofdstuk Gebouwd erfgoed.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie schreef in 1923 de roman Kees de Jongen?


JUIST!NIET JUIST!

Theo Thijssen

belastingen

Gedwongen bijdragen van burgers en bedrijven aan de overheid, waar geen rechtstreekse individuele tegenprestatie tegenover staat. Ze worden krachtens algemene regels gevorderd. \'Directe belastingen\' worden geheven over inkomen, winst en (de overgang van) vermogen (voorbeelden: inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting, vermogensbelasting, successierecht). \'Indirecte\' of \'kostprijsverhogende belastingen\' verhogen de prijs van goederen en diensten (de belangrijkste: omzetbelasting BTW], accijnzen, motorrijtuigenbelasting en onroerende‑zaakbelasting).

De 10 meest gezochte woorden en begrippen van de afgelopen week

  1. ijs en weder dienende
  2. mektab
  3. dunya
  4. Verdrag van Verdun
  5. Achilles
  6. pars pro toto
  7. rede
  8. keerkringen
  9. contra legem
  10. anale fase