geschiedenis van de kleurenfotografie

Met de cyanotypie (blauwdruk) konden vanaf 1842 bij het afdrukken briljante blauwe beelden worden verkregen. Daguerreotypieën en papierafdrukken werden tussen 1840 en 1860 vaak met de hand ingekleurd om ze levensechter of artistieker te doen lijken. Vanaf circa 1860 werden de eerste pogingen gedaan om al bij het afdrukken kleurafbeeldingen te krijgen door toepassing van kleurfilters en in de lichtgevoelige filmemulsie gevoegde kleurlagen. In 1907 introduceerden de gebroeders Lumière de autochroomplaat, het eerste praktisch toepasbare, zogheten additieve kleurprocédé om keuren te mengen. Daarbij bestond het kleurraster uit oranje, groen en violet gekleurde zetmeelkorrels. Tegelijkertijd experimenteerde men met subtractieve kleurprocédés om kleuren te mengen. waarbij uitgaande van wit licht (dat alle kleuren omvat) bepaalde kleuren uit een scène worden verwijderd of geabsorbeerd. Populair volgens dit systeem waren de kooldruk en de carbrodruk. Deze afdruktechnieken verdwenen toen vanaf 1935 subtractieve opnamematerialen op de markt kwamen, zoals Agfacolor en Kodachrome. Het creatief gebruik van kleur kreeg een enorme stimulans door de introductie van het Polaroid SX70 direct-klaar kleurprocédé (1972).

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wat is de naam van de beweging in kunst en architectuur waar o.a. Mondriaan en Rietveld bij horen?


JUIST!NIET JUIST!

De Stijl

Aarde, weer en klimaat > weer, klimaat en atmosfeer

biodiversiteit

Biodiversiteit is het vóórkomen van verschillende levende organismen, hun variabiliteit en samenhang in een bepaald gebied. De variabiliteit betreft niet alleen de uiterlijke kenmerken maar ook de genetische.