dogma

(Grieks: bevel, besluit). Op gezag berustende en in bepaalde kring als waarheid erkende uitspraak. Binnen de christelijke traditie kreeg het woord de betekenis van bindende uitspraak over het geloof of een onderdeel ervan.
Hoewel het bijvoeglijk naamwoord dogmatisch van dogma is afgeleid, heeft het een andere, negatieve betekenis: voor een dogmaticus is alleen zijn eigen overtuiging waar.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Uit welke grondsoort werd vroeger turf gewonnen?


JUIST!NIET JUIST!

veen

hoofsheid

Aan de hoven ontstane ridderlijke gedragscode waarbij zelfbeheersing en dienstbaarheid aan vrouw, heer en kerk de hoofdrol speelden. Hoofse liefde was de ridderlijke bewondering voor een voor hem onbereikbare vrouw. Aan haar droeg hij bijvoorbeeld zijn overwinningen op.