taal

1. Datgene wat het menselijk taalvermogen aan uitingsvormen oplevert.
2. Elke variant daarvan die door een groep mensen onderling gebezigd wordt in het dagelijks verkeer, en voor anderen niet zonder meer verstaanbaar is, noemen we een taal of een dialect. Twee vormen van mensentaal behoren tot verschillende talen als ze niet direct aan elkaar verwant zijn en dus onderling niet verstaanbaar, of om politieke redenen. Een taal heet daarom wel een dialect met een vlag en een vloot.
3. Elk systeem van symbolen dat dient om informatie te bewerken, te bewaren en uit te wisselen, van de bijendans via de pictogramsystemen op stations en vliegvelden tot computertalen en de taal der liefde die met blikken, geuren, strelingen en gebaren werkt.
Zie ook Nederlands.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie is de schrijver van het boek 'Utopia'?


JUIST!NIET JUIST!

Thomas More

logica

De leer van het juiste redeneren, waarbij men onderzoekt onder welke omstandigheden redeneringen geldig zijn. De inhoud van de uitspraken waaruit die redeneringen zijn opgebouwd, speelt daarbij geen rol (formele logica). Aristoteles was de eerste filosoof die de logica systematiseerde, waarbij hij zich concentreerde op het syllogisme. De moderne logica is geen onderdeel meer van de filosofie, maar vormt een tak van de wiskunde en valt voor sommige logici zelfs samen met de wiskunde.