taal

1. Datgene wat het menselijk taalvermogen aan uitingsvormen oplevert.
2. Elke variant daarvan die door een groep mensen onderling gebezigd wordt in het dagelijks verkeer, en voor anderen niet zonder meer verstaanbaar is, noemen we een taal of een dialect. Twee vormen van mensentaal behoren tot verschillende talen als ze niet direct aan elkaar verwant zijn en dus onderling niet verstaanbaar, of om politieke redenen. Een taal heet daarom wel een dialect met een vlag en een vloot.
3. Elk systeem van symbolen dat dient om informatie te bewerken, te bewaren en uit te wisselen, van de bijendans via de pictogramsystemen op stations en vliegvelden tot computertalen en de taal der liefde die met blikken, geuren, strelingen en gebaren werkt.
Zie ook Nederlands.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

In welke periode van de prehistorie leefde men in Nederland toen de Romeinen kwamen?


JUIST!NIET JUIST!

ijzertijd

regeerakkoord

Beschrijving van hoe verschillende coalitiepartijengezamenlijk het regeringsbeleid willen vormgeven en wat daarbij wel of niet onderwerp van beleid zal zijn. Met het bereiken van een regeerakkoord is de formatie van een nieuw kabinet afgesloten.