Koninklijk Instituut van Wetenschappen

Tijdens zijn koningschap van Holland (1806-1810) richtte Lodewijk Napoleon in 1808 het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten op. Hoofddoel was “het volmaken der Wetenschappen en Kunsten, om dezelver vorderingen in het Rijk bij Buitenlanders bekend te doen worden en uitvindingen of vorderingen elders gemaakt hier te lande in te voeren.” In de praktijk diende het Instituut de overheid gevraagd en ongevraagd van advies. Ook voerde het overheidsbesluiten uit. Het Instituut werd gevestigd in het voormalig patriciërshuis van de familie Trip aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam. Na de Franse overheersing bleef het Koninklijk Instituut bestaan. Koning Willem I bevestigde in 1816 het voortbestaan door een Koninklijk Besluit. Men sprak sindsdien van het Koninklijk-Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten. De historicus, taalkundige en dichter Willem BIlderdijk werd de eerste voorzitter. In de periode 1817 tot 1885 was ook het Rijksmuseum in het Trippenhuis ondergebracht.
Dit instituut wordt gezien als de voorloper van de huidige Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, KNAW, nog steeds in hetzelfde gebouw gehuisvest.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie regisseerde(n) de film Pulp Fiction (1994)?


JUIST!NIET JUIST!

Quentin Tarantino

tapijt van Bayeux

In de tweede helft van de elfde eeuw (na de slag bij Hastings,1066) geborduurd wandkleed (ten onrechte tapijt genoemd) van 70 meter lang en 50 cm hoog. Het beeldt de voorbereiding uit voor de overtocht naar en de verovering van Engeland door hertog Willem van Normandië. Op het wandkleed zien we hoe de Engelse graaf Harold een eed van trouw zweert aan hertog Willem, die echter zelf zijn zinnen op Engeland gezet had.
Harold liet zich niettemin tot koning kronen. Dus verbrak hij zijn eed. Overduidelijk wordt op het kleed getoond hoe deze eedbreuk door God gestraft wordt: Harold wordt bij Hastings door Willem verslagen en sneuvelt.
Over het ontstaan van het kleed is weinig bekend, vroeger dacht men dat Willems echtgenote, Mathilda, de opdrachtgeefster was; tegenwoordig ziet men Odo, bisschop van Bayeux en halfbroer van hertog Willem, als de degene die het initiatief nam, overigens zonder harde bewijzen. Het borduurwerk is zeer levendig en geeft bovendien allerlei interessante details over het leven van de elfde- eeuwse krijgers (ridders). (PL)